Pandaweekend 2021

Daar gaat-ie dan. Babbels in bits 'n bytes in plaats van in de aloude Hydrofolio.

Het is kwart voor zeven en de snelheidslimiet op de A73 ligt dus voorlopig nog op honderd kilometer per uur. Daar en ook op de A50 en de A59 houd ik met een handteller de inhalers bij die ons links voorbij rijden danwel scheuren. Het zijn er tientallen, op de honderdkilometerzones weliswaar meer dan op die waar je honderdtwintig mag, maar ook daar. Rutte kan gerust zijn. Het is niet erg dat de limiet omlaag moest om verdere stikstofuitstoot van bouw en landbouw te faciliteren. Misschien voelde het voor Rechts Nederland even als een nederlaag, maar wat geeft het, maar weinigen houden zich er aan en nog altijd is de pakkans ongeveer nihil. Na een uur stop ik. Ik wil de honderd niet halen en 'praten is leuker', zegt Harry. Dus wisselen we de laatste nieuwtjes uit van de thuizen, en wijzen we elkaar vanuit de auto op kerken met een koepel zoals de Sint-Bavo in Raamsdonk, en ga zo maar door.
We zijn op tijd in Den Osse en na het onvermijdelijke gerommel met de bagage varen we van daar in

westelijke richting. Met z'n negenen maar, want in de afgelopen weken zijn andere kandidaten successievelijk afgehaakt, om allerlei redenen waarvan corona misschien wel de belangrijkste was.
Thee, koffie en chips staan op tafel (bijzondere combinatie) en schipper Herman komt de bootregels uiteenzetten. Daar is niets exotisch aan: geen ongerechtigheden in de wc, zelf tafel dekken en afruimen helpt, douche niet vaker dan één maal per dag (maar toch wel minimaal één maal per week als je zo lang aan boord bent), om één uur gaat de generator uit en om acht uur weer aan, en vooral fijn dat jullie er zijn, dat jullie het aandurven, want na alle maanden aan de ketting van corona is het langzaamaan precair geworden, en dus belangrijk dat er weer wat gebeurt op de Panda.
Tegen de Brouwersdam aan gaan we voor anker, in de beschutte haven van Middelplaat. Het duiken start nog niet vanavond. Wel maakt een vijftal een nachtwandeling over de Brouwersdam, die langs de spuisluis en via een voetgangerstunneltje met fraaie schilderingen (graffitinetwerknederland.nl) naar het terrein leidt van Concert at Sea, de plek waar BLØF z'n thuiswedstrijden pleegt te spelen. Het gesprek gaat dus al gauw van concerten en mensenmassa's naar de overtuiging dat het Stadspark in Groningen geheel aan Groen Linkse festivalambities geofferd zou worden. Terug op het schip komen nog korte tijd de chips en de La Chouffes op tafel, daarna gaan eerst de generator en vervolgens alle opvarenden plat.

Op zaterdagochtend ben ik om acht uur heel even een tikkeltje lodderig, maar als mijn blik toevallig in de richting van de patrijspoort zwenkt schiet ik wakker. Kleine golfjes op een grijze watermassa, beweging en belofte. Water! Zeeland! Duiken!
Het wordt mijn eerste keer in jaren. Afgezien van een kwartier in een openluchtzwembad voor kikkers en padden die daar tijdens hun voorjaarstrek in waren gevallen en niet meer uit waren gekomen, waren mijn laatste duiken drie in augustus 2013 en eentje in mei 2014. Sindsdien is het er niet meer van gekomen, louter omdat dingen gaan zoals ze gaan, niet omdat ik niet wilde. Ik heb het duiken ook echt gemist, heb er af en toe over gedroomd zelfs. Maar nu, zeven en acht jaar later, kan het weer even en vind ik mezelf terug in Zeeland.
Over het aankoppelen, de instap, het trimmen of andere techniek maak ik me geen enkele zorg, over navigatie ook niet. De Vlugge Leeuw schiet lekker op, tosti zonder-ham-mét-kaas gaat er best in. Van mijn droogpak heb ik met het grootst mogelijke leedwezen afscheid genomen, het is aan de tand des tijds ten onder gegaan. Dat wel. Maar het grootste deel van mijn verdere uitrusting kon ik vorig jaar al in orde laten brengen en de accu's van mijn lampen deze week, zodat het ook daar niet fout kan gaan. Voor zover het toch een beetje spannend is moet dat komen doordat ik in de voorbije periode iets van een oud mannetje geworden ben. Laat ik het zo zeggen: Harry is nu zestig. Wie weet heeft dat consequenties, we zullen zien.

De eerste duik is er een op zaterdag. Dagen achtereen is het mooi weer geweest, De Bildt heeft gisteren of eergisteren zelfs de eerste 'tropische dag' geregistreerd, maar na een paar onweersbuien is het vandaag opeens een stuk frisser.
Harry ligt er al in als ik me volhang en naar de instap schuifel. Een smalle opstaande rand langs de boord van het schip is even vervelend: ondanks mijn vin snijdt hij in mijn voorste voet, en in plaats van gewoon vooruit te kunnen stappen moet ik tijdens een kort moment van bijna-verlies van evenwicht mijn tweede voet, met natuurlijk ook zo'n lange vin eraan, over die rand heen tillen en naar voren zwaaien maar het lukt en ik stort mezelf één meter zestig omlaag, het grijze water in.
We zijn in de buurt van duikstek Het Koepeltje maar wat oostelijker, want als je duikt vanaf een boot wil je naar plekken die je niet gewoon lopend vanaf de kant kunt bereiken. De boot ankert natuurlijk een eind uit de oever en Herman heeft er tijdens een korte briefing al op gewezen dat wie z'n duik niet op leeg slik en tweeëntwintig meter diepte wil beginnen, eerst een stukkie moet snorkelen.

Zo gezegd zo gedaan. Voor het duikplanoverleg hebben Harry en ik genoeg aan twee of drie zinnen, want we kennen elkaar door en door. Wij zoeken geen uitdaging in diepte of een ingewikkeld patroon van rondzwerven, voor ons is duiken een zaak van kijken. Alles moet gezien worden, alleen dát telt.
Ik pak mijn lagedruk inflator en blaas af. Langzaam sluit het wateroppervlak zich boven mijn hoofd en verandert de omgeving in een mix van oker, groen en grijs, met een verloop van licht boven en donker beneden. In horizontale positie zak ik dieper. Het is niet koud en het gaat moeiteloos, ik denk er niet eens bij na. Heb ik dit echt zo lang niet meer gedaan? Hoe dan ook, ik duik. Verspreid over een slikkige bodem liggen meer en minder uitbundig begroeide blokken steen. Er zijn oesters, wieren, krabben en ja!, een hooiwagenkrab! Meteen blijf ik hangen. M'n eerste in jaren. Al die tijd heb ik deze kleine vriendjes moeten missen. Hoezeer ook met wieren beplakt, meer dan gelijkbenige driehoekjes met poten eraan zijn ze niet. Maar ze deinen zachtjes mee op de waterbeweging, ze kunnen zich naar eigen wens verplaatsen, zijn in staat zich voort te planten zelfs. Ze leven. De laatste keer waren ze er, ze zijn er nog steeds en altijd zullen ze er zijn. Voor mij zijn ze speciaal, deze tijdloze iele skeletjes in zout water. Ze houden me een spiegel voor, denk ik. Ze herinneren me tegelijkertijd aan de kwetsbaarheid en eindigheid van het leven, en aan het feit dat dat altijd door zal gaan, ook zonder mij, als ik er niet bíj ben en nog later als ik er niet méér ben. Zoiets moet het zijn.
Misschien is dat eerste hooiwagenkrabje van vandaag ook de bevestiging van een nieuwe start. Ik wil hem een hand geven maar dat gaat niet. Meteen trekt hij zich terug onder een scherpgerande oester. Een hand is ook niet goed natuurlijk, het moet een boks zijn. Corona hè?...
We vervolgen onze route. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het geen topduik wordt. Er zijn geen echte bijzonderheden. Er liggen een of twee thermoclines, op vijf en op drieënhalve meter ongeveer. Bovenin is het water gewoon lekker, onderin wel koeler maar toch niet koud. We zien botervisjes, postzegelplatvisjes, vrij veel garnalen maar juist weer weinig anemonen, een vlokslak waarvan Harry denkt dat het wellicht de gekraagde is, een betrekkelijk nieuwe soort voor ons land, maar spektakel, nee, dat niet.

Verder dus maar, en dat doen we terwijl we pannenkoeken zitten te eten. Harry raakt in gesprek met Anja en geleidelijk dwalen ze van de voortplanting van krabbezakjes en konijnen naar klein kijken onder water, die zegenrijke vaardigheid die het in zich heeft élke duik op élke plek interessant te maken.
De Panda brengt ons naar de Goeree-Overflakkeese overkant van het Grevelingenmeer, naar Preekhil, de stek waarvoor je normaalgesproken een pokke-eind moet lopen. Terwijl we varen worden onze flessen gevuld, zelf hoeven we niks te doen. Wauw. Vroeger gaf ik er niet bijzonder om, maar ik geloof dat ik langzaam enthousiast begin te worden over bootduiken. Drie duiken maken en loggen, eten en flessen vullen, zelfs zonder al te veel gejakker past het gewoon allemaal in een dag. Kom daar eens om als je op het land blijft...

Ook duik twee begint met de sprong in het diepe en snorkelen in de richting van de oever. Vaak is het wat geknoei, dat snorkelen. Het weer kan zo rustig niet zijn of er is altijd wel een béétje oppervlaktestroming, je bent opgesloten in je strakke pak en hebt zoveel lucht om je heen dat je eigenlijk een beetje klem zit en dat je vinnen haast te hoog in het water liggen. Maar vandaag is het geen probleem, want er is gezorgd voor afleiding onderweg: een ballet van sierlijke oorkwallen. Links, rechts en beneden, een choreografie van Gré van Evelingen die speciaal voor ons wordt opgevoerd. Dat hebben Gesiena en Bas (die er nota bene zelf niet bij is) toch maar mooi geregeld!
Het sombere weer zorgt ervoor dat de wereld beneden het wateroppervlak op het eerste gezicht grauw aandoet, zich in ieder geval niet toont als een omgeving waar je al bij de eerste aanblik opgewonden van raakt. Hoe kan een mens zich vergissen...
Behalve een backuplampje heb ik ook de onvolprezen onderwaterloupe van Jos Schulte bij me, en daarvoor word ik rijkelijk beloond. Alleen al het bekijken van de uitbundige plukken roodwier tovert een waar feest voor mijn ogen. Ik zie een woud van gordijnen en serpentines in al dat rood, met erop en ertussen de gespikkelde schoonheid van kleine groene wierslakjes en de hyperactiviteit van drie of vier maal zo lange maar haardunne spookkreeftjes. Sommige buigen als knipmessen neer en op, andere maken zich breed en laten hun spookkreeftenbiceps zien of staan een potje te boksen in het water. Rondom zijn er dankzij de sponzen en de kolonievormende zakpijpen nog veel meer kleuren te bewonderen dan alleen maar rood. Driekantige kokerwormpjes steken ragfijne witte en blauwe vangarmpjes uit hun buisjes, we vinden tolhoorntjes, keverslakken, een kleurige grondel op het nest onder zijn schelp, temidden van de donkergrijze banen die hij van daar uit in het slik getrokken heeft, en overal de witte slingers en stroken met de eitjes van de bruine plooislak, al laat die zichzelf niet of nauwelijks zien.
Tegen het eind van onze duik vinden we ook nog twee voor ons nieuwe soorten. Een daarvan is een huisjesslak, de Japanse stekelhoren. Normaliter leeft die naar wat zijn andere Nederlandse naam doet vermoeden en is hij dus een oesterboorder maar deze, o mazzel, is bezig eikapsels af te zetten. De andere nieuweling in onze Zeeuwse kennissenkring is het 'schepje', een net-niet-naaktslak want hij heeft een schelpje dat hij onzichtbaar weggevouwen op zijn rug meevoert terwijl hij zijn sleepsporen door de bodem trekt. Hij is wit van kleur en voor mij, ook al vertelt de wetenschappelijke naam Philine quadripartita dat er aan zijn lijf vier delen te herkennen zijn, vormeloos. Gaasjes ter grootte van een kiwivrucht, vastgehecht in of aan de bodem, zijn eikapsels. Na jaren van afzien is dit eigenlijk een topduik!

Het is dus zeker geen tegenvaller als in de avond het besluit valt op dezelfde plek nog een keer van boord te springen. Een echte nachtduik wordt dat niet, want er is slecht weer op komst en Herman wil de schuit op een veilige plek hebben liggen voordat het misschien te gek wordt. Vanaf de groene boei gaan Harry en ik nu rechtsaf in plaats van links.
De sfeer en de soortensamenstelling verschillen niet wezenlijk van vanmiddag. Het oesterrif dat ons wacht is haast sprookjesachtig, met alle afwisseling van rood, geel, wit, grijs en zwart. Op geringe diepte treffen we nu ook de brede ringsprietslak die Tally vanmiddag al gefotografeerd heeft, een middelgrote platvis (bot?) en een groene zeedonderpad.

Onze uitwijkhaven is die van het Springersdiep, een eindje terug en opnieuw aan de Brouwersdam. Maar of het werkelijk flink te keer gaat, die nacht? Iemand vertelt mij later van harde wind zonder onweer, uit eigen waarneming durf ik geen enkele mededeling te doen. Totdat het zondag werd lag ik heerlijk te slapen aan boord.

Het ontbijt is levendig en al voordat de boot weer vaart is ook de zon een beetje terug. We gaan naar Dreischor, naar een plek tussen 'Zuidlangeweg' (dat tegenwoordig Frans Kok-rif heet, begrijp ik) en het Gemaal in. Anja duikt met Harry en mij mee, om zich in de weelde van het klein kijken te laten introduceren. Bij de afdaling is zijzelf degene die onmiddellijk een bruine plooislak ontdekt, verderop in de duik bewijzen het aanwijsstokje en de onderwaterloupe weer goede diensten (hopelijk heeft Jos er nog een op voorraad), onder meer bij het transparante lijf van de glasgrondel, nieuwe mini-wierslakjes, twee vlokslakken en wolken roodbuikaasgarnaal in holen, al of niet mede-bewoond door Mister of Miss Kreeft. Harry ziet een kreeft met een 'kurkentrekker' op zijn kop: het begin van een nieuwe voelspriet die zich ontwikkelt na het verlies van een eerdere. Tijdens het snorkelen kom ik twee keer een kruiskwalletje tegen.

Aan boord serveert Jolien Jolien soep en een spaghetti-ovenschotel. Daarna komt de laatste duik er aan. Door allerlei oorzaken maken nog maar vier mensen die, dat wil zeggen, gaan tussen de strekdam van Den Osse en de Nieuwe Kerkweg Tally en Anja als buddypaar te water, en Koos en ik ook.
Over een rugstreepgarnaal en een grote zeenaald heen en langs een route die ons, horen we later, onder de boot door voert zoeken we wat diepte op, want je weet maar nooit of er daar niet iets leuks is waar je vlakbij bent maar niet aan toekomt als je je helemaal tot de eerste acht of tien meters beperkt. Het werkt, een beetje. Juist rond de vijftien, zeventien meter zien we de gewone zwemkrabben, een hele lading wroetende schepjes en een forse zeedonderpad. De zeesterren, die ik eerder dit weekend nog nergens getroffen heb, zijn er ook algemeen aanwezig. Bovendien is het er helderder dan op alle dieptes tussen twee en, wat was het, acht meter ofzo, waar constant een mist om je heen hangt. Uiteraard is het daar wel lichter dan beneden en is het water er warmer, maar eigenlijk kun je alleen een goed beeld krijgen van wat je vlak voor of vlak onder je ziet. Dat is toch de moeite waard hoor, door alle kleuren en onder meer door de school jonge blonde grondels, het groepje glasgrondels en de kreeften her en der. De stroming duwt een aantal oorkwallen en kleine blauwe haarkwalletjes tegen het staande net van een fuik. Wat een geluk dat we daar gewoon langs en overheen mogen duiken ik heb vervagende herinneringen aan de tijd dat duikers geacht werden vóór hun instap te kijken of aan de oppervlakte boeien van visnetten te zien waren en dat ze daar vervolgens zover vandaan moesten blijven dat de hele duik vrijwel onmogelijk werd, of in ieder geval de navigatie een hopeloos ingewikkelde opgave.

Al doende wordt het zondagmiddag, en bijna tijd voor het afscheid van Herman en Jolien. Die hebben ons niet alleen uitstekend verzorgd maar zijn ook steeds zeer toegankelijk en zelfs enthousiast geweest prettige mensen om mee om te gaan, kortom.
De Panda vaart terug naar Den Osse, halfnatte uitrustingen verdwijnen in bakken en tassen. Ik neem me voor binnenkort weer eens in de Berendonck te stappen, de zoetwaterplas vlakbij huis. Het is alweer bijna juli en dus de hoogste tijd. Vorig jaar waren er daar zoetwaterkwalletjes en als die er dit jaar ook zijn moet ik er toch eens duiken in plaats van alleen te zwemmen of te snorkelen.
En Zeeland? Ik ben er nog lang niet uitgekeken, dat heb ik wel gemerkt. Dit weekend ben ik niet in de Oosterschelde geweest, maar met vijf duiken in de Grevelingen heb ik toch een indruk gekregen, misschien het begin gemaakt van een snelle inventarisatie. Ten opzichte van een aantal jaren geleden zijn er echt dingen veranderd. Het lijkt erop dat de trend naar steeds meer kolonievormende zakpijpen zich heeft doorgezet, misschien wel ten koste van sponzen, want daarvan lijken broodspons, geweispons, oranje korstspons en gele adrespons wel uitgestorven. Massasapons is daarentegen doodnormaal geworden.
Over sommige vissen, zeker de grotere, ben ik een beetje bezorgd. Koolvis, kabeljauw, grote platvissen en palingen, hebben we die zo langzamerhand allemaal weggevangen of voorgoed buitengesloten? Vorskwab en puitaal heb ik ook niet gezien. Alleen doordat er geen echte nachtduik in het weekend zat? Maar pitvis dan, die ontbrak ook. En nergens zo'n lief klein steenbolkje...
Er moet nog veel meer te ontdekken zijn. Laat ik hopen dat er zo nu en dan weer een kans is. In ieder geval was dit weekend zeer geslaagd.

Met dank aan de al genoemde Herman en Jolien, aan Gesiena Garms en Bas Kremer en aan de (andere) buddy's Gosse Boon, Harry Holsteijn, Hendri en Fenno Knoop, Koos Meijering, Tally Norder en Anja Toonstra.

Bert